Oefentoets Thema 7
Maatschappijleer KGT, 30 meerkeuzevragen met feedback per antwoord
Hoe werkt deze oefentoets?
Klik op een antwoord. Je ziet meteen of het antwoord goed of fout is en waarom. Deze versie gebruikt geen JavaScript en werkt daardoor beter in WordPress.
Let op: de score wordt niet automatisch bijgehouden. Leerlingen kunnen zelf turven hoeveel antwoorden zij goed hebben.
7.1 Samen leven
Vraag 1
Wat betekent een pluriforme samenleving?
A. Een samenleving waarin iedereen precies dezelfde cultuur heeft
Niet goed. Bij een pluriforme samenleving gaat het juist om verschillen tussen mensen.
B. Een samenleving met mensen met verschillende culturen en leefstijlen
Goed. Nederland wordt pluriform genoemd omdat er veel verschillende culturen, subculturen en leefstijlen naast elkaar bestaan.
C. Een samenleving waarin alleen de grootste groep bepaalt wat normaal is
Niet goed. Dat gaat meer richting dominantie van één groep, niet naar pluriformiteit.
D. Een samenleving zonder subculturen
Niet goed. Subculturen zijn juist een kenmerk van een pluriforme samenleving.
7.1 Samen leven
Vraag 2
Waarom willen mensen vaak bij een groep horen?
A. Omdat mensen een basisbehoefte hebben om ergens bij te horen
Goed. Mensen hebben een basisbehoefte aan verbondenheid en erbij horen.
B. Omdat groepen altijd beter zijn dan individuen
Niet goed. Groepen kunnen steun geven, maar zijn niet automatisch beter.
C. Omdat de wet dat verplicht
Niet goed. Erbij willen horen is geen wettelijke verplichting.
D. Omdat mensen dan nooit meer conflicten hebben
Niet goed. Ook binnen groepen kunnen conflicten ontstaan.
7.1 Samen leven
Vraag 3
Wat is het wij-gevoel?
A. Het gevoel dat je beter bent dan iedereen buiten je groep
Niet goed. Dat kan een gevolg zijn van sterk wij-zij-denken, maar is niet de definitie van wij-gevoel.
B. Het gevoel dat je bij elkaar hoort door gedeelde waarden en normen
Goed. Het wij-gevoel ontstaat door gedeelde waarden, normen en het gevoel bij elkaar te horen.
C. Het gevoel dat iedereen in Nederland hetzelfde denkt
Niet goed. In een pluriforme samenleving denken mensen juist verschillend.
D. Het gevoel dat je niemand nodig hebt
Niet goed. Dat past eerder bij individualisering, niet bij wij-gevoel.
7.1 Samen leven
Vraag 4
Wanneer ontstaat wij-zij-denken?
A. Wanneer mensen helemaal geen groepen vormen
Niet goed. Wij-zij-denken ontstaat juist door groepsvorming.
B. Wanneer de eigen groep positief wordt gezien en anderen negatiever
Goed. Bij wij-zij-denken wordt de eigen groep vaak positiever beoordeeld dan de andere groep.
C. Wanneer mensen elkaar altijd gelijk behandelen
Niet goed. Gelijke behandeling is juist het tegenovergestelde van buitensluiten.
D. Wanneer sociale cohesie heel sterk is zonder tegenstellingen
Niet goed. Sterke verbondenheid kan positief zijn, maar wij-zij-denken legt nadruk op tegenstelling.
7.1 Samen leven
Vraag 5
Wat is polarisatie?
A. Dat mensen en groepen steeds dichter bij elkaar komen
Niet goed. Polarisatie betekent juist dat tegenstellingen sterker worden.
B. Dat mensen en groepen lijnrecht tegenover elkaar komen te staan
Goed. Polarisatie ontstaat wanneer tegenstellingen tussen mensen of groepen steeds scherper worden.
C. Dat iedereen dezelfde mening krijgt
Niet goed. Polarisatie gaat juist over botsende meningen.
D. Dat mensen alleen nog maar in kleine dorpen wonen
Niet goed. Woonplaats is hier niet de kern.
7.1 Samen leven
Vraag 6
Wat betekent sociale cohesie?
A. Hoe sterk mensen zich met elkaar verbonden voelen
Goed. Sociale cohesie gaat over onderlinge verbondenheid in een samenleving.
B. Hoeveel wetten een samenleving heeft
Niet goed. Wetten kunnen invloed hebben, maar zijn niet de betekenis van sociale cohesie.
C. Hoeveel mensen dezelfde kleding dragen
Niet goed. Uiterlijk zegt weinig over verbondenheid.
D. Hoe snel mensen van mening veranderen
Niet goed. Sociale cohesie gaat niet over snelheid van meningsverandering.
7.2 Hokjesdenken
Vraag 7
Waarom denken mensen vaak in hokjes?
A. Omdat het brein de wereld overzichtelijk wil maken
Goed. Het brein deelt dingen, dieren en mensen automatisch in om snel overzicht te krijgen.
B. Omdat hokjesdenken altijd eerlijk is
Niet goed. Hokjesdenken kan handig zijn, maar is lang niet altijd eerlijk.
C. Omdat mensen zonder hokjes niet kunnen leren
Niet goed. Leren kan ook zonder mensen vast te zetten in hokjes.
D. Omdat de overheid dat verplicht
Niet goed. Hokjesdenken is geen wettelijke verplichting.
7.2 Hokjesdenken
Vraag 8
Wat is een stereotype?
A. Een overdreven en vaststaand beeld van een groep mensen
Goed. Een stereotype is een versimpeld, overdreven en vaststaand beeld van een groep.
B. Een bewezen feit over één persoon
Niet goed. Een stereotype gaat over een groep en is juist niet zomaar een bewezen feit.
C. Een wet die discriminatie verbiedt
Niet goed. Dat verwijst eerder naar artikel 1 van de Grondwet.
D. Een persoonlijke keuze zonder invloed van de samenleving
Niet goed. Stereotypen ontstaan juist vaak door beelden in de samenleving.
7.2 Hokjesdenken
Vraag 9
Wat is een vooroordeel?
A. Een oordeel op basis van volledige informatie
Niet goed. Bij een vooroordeel ontbreekt juist volledige informatie.
B. Een oordeel zonder dat je de persoon of feiten echt kent
Goed. Een vooroordeel is een oordeel vooraf, zonder dat je iemand of de feiten goed kent.
C. Een compliment over een hele groep
Niet goed. Een vooroordeel kan positief lijken, maar is meestal onjuist of beperkend.
D. Een regel die voor iedereen hetzelfde geldt
Niet goed. Een regel is iets anders dan een oordeel.
7.2 Hokjesdenken
Vraag 10
Hoe kunnen stereotypen leiden tot vooroordelen?
A. Je beoordeelt iemand dan op basis van het hokje waarin je die persoon plaatst
Goed. Je laat je oordeel dan afhangen van het groepsbeeld, niet van de persoon zelf.
B. Je leert iemand dan eerst heel goed kennen
Niet goed. Een vooroordeel ontstaat juist zonder iemand goed te kennen.
C. Je controleert dan altijd alle feiten
Niet goed. Bij vooroordelen worden feiten vaak niet goed gecontroleerd.
D. Je behandelt iedereen dan automatisch gelijk
Niet goed. Vooroordelen kunnen juist leiden tot ongelijke behandeling.
7.2 Hokjesdenken
Vraag 11
Wat is discriminatie?
A. Mensen anders behandelen of buitensluiten op basis van bepaalde kenmerken
Goed. Discriminatie betekent dat mensen ongelijk worden behandeld of buitengesloten vanwege kenmerken zoals afkomst, geloof, sekse of beperking.
B. Mensen vragen naar hun mening
Niet goed. Iemand naar een mening vragen is geen discriminatie.
C. Verschillen tussen mensen herkennen zonder oordeel
Niet goed. Verschillen zien is niet hetzelfde als buitensluiten.
D. Een groep mensen complimenten geven
Niet goed. Ook positieve stereotypen kunnen lastig zijn, maar dit is niet de definitie van discriminatie.
7.2 Hokjesdenken
Vraag 12
Wat is racisme?
A. Elke vorm van meningsverschil
Niet goed. Een meningsverschil is niet automatisch racisme.
B. Discriminatie op basis van huidskleur of afkomst
Goed. Racisme is discriminatie van mensen op basis van huidskleur of afkomst.
C. Een discussie over cultuur
Niet goed. Een discussie over cultuur kan gevoelig zijn, maar is niet automatisch racisme.
D. Het indelen van schoolvakken
Niet goed. Dit heeft niets met racisme te maken.
7.3 Integratie
Vraag 13
Wat is assimilatie?
A. Je behoudt alles van je oude cultuur en leeft gescheiden
Niet goed. Dat past eerder bij segregatie.
B. Je vervangt bijna alles van je oude cultuur door de dominante cultuur
Goed. Bij assimilatie neem je bijna volledig de dominante cultuur over.
C. Nieuwkomers en samenleving passen zich allebei aan
Niet goed. Dat is integratie.
D. Iedereen weigert mee te doen aan de samenleving
Niet goed. Dat is geen juiste omschrijving van assimilatie.
7.3 Integratie
Vraag 14
Wat is segregatie?
A. Groepen leven gescheiden van elkaar
Goed. Segregatie betekent dat groepen vooral apart van elkaar leven.
B. Iedereen past zich volledig aan
Niet goed. Volledig aanpassen past eerder bij assimilatie.
C. Iedereen heeft precies dezelfde gewoonten
Niet goed. Bij segregatie kunnen groepen juist verschillende gewoonten behouden.
D. Mensen krijgen meer individuele vrijheid
Niet goed. Dat hoort bij individualisering.
7.3 Integratie
Vraag 15
Wat is integratie?
A. Alleen de nieuwkomer moet zich aanpassen
Niet goed. Dat is te eenzijdig en lijkt meer op assimilatie.
B. Alleen de samenleving moet zich aanpassen
Niet goed. Integratie vraagt niet alleen iets van de samenleving.
C. Wederzijdse aanpassing waarbij nieuwkomers deel gaan uitmaken van de samenleving
Goed. Integratie is wederzijdse aanpassing: nieuwkomers doen mee en de samenleving biedt ruimte voor eigen waarden en gewoonten.
D. Groepen vermijden elkaar zoveel mogelijk
Niet goed. Dat past bij segregatie.
7.3 Integratie
Vraag 16
Waarom past integratie bij Nederlandse basiswaarden?
A. Omdat integratie vrijheid en gelijkwaardigheid combineert met meedoen aan de samenleving
Goed. Integratie past bij vrijheid, gelijkwaardigheid en actief meedoen in de samenleving.
B. Omdat iedereen dan verplicht dezelfde kleding draagt
Niet goed. Verplichte gelijke kleding past niet bij vrijheid.
C. Omdat nieuwkomers hun eigen cultuur volledig moeten opgeven
Niet goed. Dat hoort bij assimilatie, niet integratie.
D. Omdat groepen dan helemaal gescheiden blijven
Niet goed. Dat hoort bij segregatie.
7.3 Integratie
Vraag 17
Wat is een voordeel van segregatie?
A. Je voelt je vaak op je gemak bij mensen die op jou lijken
Goed. Een voordeel van segregatie kan zijn dat mensen zich veilig en vertrouwd voelen bij mensen met dezelfde waarden en gewoonten.
B. Nieuwkomers leren altijd sneller Nederlands
Niet goed. Een nadeel van segregatie is juist dat nieuwkomers taal en dominante cultuur minder goed leren.
C. Er ontstaat automatisch meer sociale cohesie tussen alle groepen
Niet goed. Tussen groepen kan de afstand juist groter worden.
D. Discriminatie verdwijnt vanzelf
Niet goed. Discriminatie verdwijnt niet vanzelf door segregatie.
7.3 Integratie
Vraag 18
Wat kan integratie in de weg staan?
A. Wij-zij-denken en discriminatie
Goed. Wij-zij-denken en discriminatie kunnen ervoor zorgen dat mensen minder makkelijk mee kunnen doen.
B. Het leren van de Nederlandse taal
Niet goed. Taal leren helpt integratie juist.
C. Meedoen aan school of werk
Niet goed. Meedoen aan school of werk helpt integratie.
D. Respect voor basiswaarden
Niet goed. Respect voor basiswaarden past juist bij integratie.
7.4 Nederland is veranderd
Vraag 19
Wat is individualisering?
A. De ontwikkeling waarbij mensen meer vrijheid krijgen om eigen keuzes te maken
Goed. Individualisering betekent dat mensen meer nadruk leggen op eigen keuzes, vrijheid en persoonlijke ontwikkeling.
B. De ontwikkeling waarbij iedereen dezelfde religie krijgt
Niet goed. De invloed van de kerk nam juist af.
C. De ontwikkeling waarbij families altijd boven individuen gaan
Niet goed. Dat past meer bij een wij-cultuur of collectivistische cultuur.
D. De ontwikkeling waarbij mensen verplicht in groepen leven
Niet goed. Individualisering gaat juist over meer individuele keuzevrijheid.
7.4 Nederland is veranderd
Vraag 20
Wat veranderde er vanaf de jaren 60 in Nederland?
A. De culturele diversiteit nam toe
Goed. Vanaf de jaren 60 veranderde Nederland snel, onder andere door migratie, individualisering en emancipatie.
B. De invloed van de kerk werd overal groter
Niet goed. De invloed van de kerk nam juist af.
C. Vrouwen werden wettelijk ondergeschikt aan mannen
Niet goed. Emancipatie ging juist over gelijke rechten en behandeling.
D. Nederland werd minder pluriform
Niet goed. Nederland werd juist cultureel diverser.
7.4 Nederland is veranderd
Vraag 21
Wat is een collectivistische cultuur of wij-cultuur?
A. Een cultuur waarin het groepsbelang vaak voor het eigen belang gaat
Goed. In een collectivistische cultuur staat de groep vaak centraal en zijn familiebanden belangrijk.
B. Een cultuur waarin niemand voor elkaar zorgt
Niet goed. In een wij-cultuur zorgen mensen juist vaak voor elkaar.
C. Een cultuur waarin iedereen alleen aan zichzelf denkt
Niet goed. Dat past eerder bij een doorgeschoten ik-cultuur.
D. Een cultuur zonder familiebanden
Niet goed. Familiebanden zijn juist vaak belangrijk.
7.4 Nederland is veranderd
Vraag 22
Wat betekent emancipatie?
A. De strijd voor gelijke rechten en gelijke behandeling
Goed. Emancipatie gaat over gelijke rechten en gelijke behandeling, bijvoorbeeld voor vrouwen en lhbtiq+-personen.
B. De strijd om één groep meer rechten te geven dan anderen
Niet goed. Emancipatie gaat juist over gelijkwaardigheid.
C. Het verdwijnen van alle verschillen tussen mensen
Niet goed. Verschillen mogen blijven bestaan; het gaat om gelijke rechten en behandeling.
D. Het verplicht volgen van traditionele rolpatronen
Niet goed. Emancipatie doorbreekt vaak juist traditionele rolpatronen.
7.4 Nederland is veranderd
Vraag 23
Wat is een positief gevolg van individualisering voor het individu?
A. Meer mogelijkheden om keuzes te maken die bij je passen
Goed. Individualisering geeft mensen meer persoonlijke vrijheid om hun leven vorm te geven.
B. Minder vrijheid
Niet goed. Individualisering betekent juist meer vrijheid.
C. Minder verantwoordelijkheid voor je eigen keuzes
Niet goed. Meer vrijheid betekent vaak ook meer verantwoordelijkheid.
D. Altijd minder stress
Niet goed. Meer keuzes kunnen juist ook keuzestress geven.
7.4 Nederland is veranderd
Vraag 24
Wat is een mogelijk negatief gevolg van individualisering voor de samenleving?
A. Mensen voelen zich minder verbonden met elkaar
Goed. Een nadeel van individualisering is dat mensen minder rekening met elkaar houden en minder verbonden kunnen raken.
B. Iedereen gaat automatisch beter samenwerken
Niet goed. Samenwerking ontstaat niet automatisch door individualisering.
C. Sociale cohesie wordt altijd sterker
Niet goed. Sociale cohesie kan juist afnemen.
D. Er ontstaan geen conflicten meer
Niet goed. Conflicten kunnen nog steeds ontstaan.
7.5 Een inclusieve samenleving
Vraag 25
Wat is een inclusieve samenleving?
A. Een samenleving waarin iedereen mee mag en kan doen, ongeacht afkomst, geloof, geslacht, geaardheid of beperking
Goed. Inclusie betekent dat iedereen mag en kan meedoen, ook als mensen verschillen van elkaar.
B. Een samenleving waarin alleen de meerderheid bepaalt wie mee mag doen
Niet goed. Dat sluit mensen juist uit.
C. Een samenleving waarin verschillen tussen mensen verboden zijn
Niet goed. In een inclusieve samenleving mogen verschillen bestaan.
D. Een samenleving waarin iedereen dezelfde mening moet hebben
Niet goed. Inclusie betekent niet dat iedereen hetzelfde moet denken.
7.5 Een inclusieve samenleving
Vraag 26
Wat kan gebeuren als mensen niet mee mogen of kunnen doen?
A. Verlies van vertrouwen en vermindering van sociale cohesie
Goed. Uitsluiting kan leiden tot minder vertrouwen, terugtrekking in de eigen groep en minder sociale cohesie.
B. Altijd meer vertrouwen in de overheid
Niet goed. Uitsluiting kan vertrouwen juist beschadigen.
C. Automatisch meer gelijkwaardigheid
Niet goed. Gelijkwaardigheid vraagt dat mensen juist mee mogen en kunnen doen.
D. Mensen voelen zich altijd meer verbonden
Niet goed. Uitsluiting kan verbondenheid juist verminderen.
7.5 Een inclusieve samenleving
Vraag 27
Wat is radicalisering volgens de lesstof?
A. Gedrag en gedachten die ingaan tegen de waarden en normen van de democratische rechtsstaat
Goed. Radicalisering betekent dat iemands gedrag en gedachten zich tegen de democratische rechtsstaat kunnen keren.
B. Een gewone discussie tussen twee mensen
Niet goed. Een gewone discussie is geen radicalisering.
C. Het leren van de Nederlandse taal
Niet goed. Taal leren helpt juist om mee te doen.
D. Het accepteren dat mensen verschillend zijn
Niet goed. Dat is tolerantie, niet radicalisering.
7.5 Een inclusieve samenleving
Vraag 28
Wat betekent tolerantie?
A. Je accepteert dat mensen soms anders zijn, denken of doen dan jij
Goed. Tolerantie betekent dat je verschillen accepteert, ook als iemand anders denkt of doet dan jij.
B. Je bent het altijd met iedereen eens
Niet goed. Tolerantie betekent niet dat je het altijd eens bent.
C. Je laat alles toe, ook geweld en discriminatie
Niet goed. Er zijn grenzen aan tolerantie: geweld, haatzaaien en discriminatie mogen niet.
D. Je sluit mensen uit die anders zijn
Niet goed. Uitsluiten is het tegenovergestelde van tolerantie.
7.5 Een inclusieve samenleving
Vraag 29
Waar liggen grenzen aan tolerantie?
A. Bij oproepen tot geweld, haatzaaien en discriminatie
Goed. Tolerantie betekent niet dat alles mag. De wet stelt grenzen, bijvoorbeeld bij geweld, haatzaaien en discriminatie.
B. Bij mensen die andere muziek luisteren
Niet goed. Andere muziek luisteren valt normaal gesproken onder vrijheid.
C. Bij mensen die anders eten dan jij
Niet goed. Anders eten is geen reden om intolerant te zijn.
D. Bij mensen die een andere hobby hebben
Niet goed. Een andere hobby is geen grens aan tolerantie.
7.2 en 7.5 Herhaling
Vraag 30
Waarom is discriminatie slecht voor een inclusieve samenleving?
A. Omdat mensen dan te veel eigen keuzes maken
Niet goed. Eigen keuzes maken hoort eerder bij individualisering en vrijheid.
B. Omdat mensen dan niet gelijkwaardig kunnen meedoen
Goed. Een inclusieve samenleving betekent dat iedereen mee mag en kan doen. Discriminatie sluit mensen juist uit en tast gelijkwaardigheid aan.
C. Omdat alle verschillen dan verdwijnen
Niet goed. In een inclusieve samenleving mogen verschillen juist bestaan.
D. Omdat sociale cohesie dan automatisch sterker wordt
Niet goed. Discriminatie maakt sociale cohesie meestal zwakker, omdat mensen zich minder verbonden voelen.