Categorieën
Coaching Ouderschap

Beste juffen, jongens zijn geen meisjes met een piemel: Een knuppel in het gender correctness hoenderhok

Het aandeel vrouwen dat les geeft in het basisonderwijs is sinds 2005 gestegen van 82 naar 87 procent in 2015. Hiermee is het aandeel vrouwen onder leerkrachten in het basisonderwijs veruit het grootste van alle beroepsgroepen in het onderwijs. (bron: CBS)

Wat betekent deze oververtegenwoordiging van vrouwen in het basisonderwijs voor de ontwikkeling van onze kinderen en in het bijzonder van onze jongens? Van wie leren zij hoe het is om een jongen te zijn op school, wie zijn de mannelijke rolmodellen?

Het aandeel vrouwen dat les geeft in het basisonderwijs is sinds 2005 gestegen van 82 naar 87 procent in 2015. Hiermee is het aandeel vrouwen onder leerkrachten in het basisonderwijs veruit het grootste van alle beroepsgroepen in het onderwijs. (bron: CBS)

Wat betekent deze oververtegenwoordiging van vrouwen in het basisonderwijs voor de ontwikkeling van onze kinderen en in het bijzonder van onze jongens? Van wie leren zij hoe het is om een jongen te zijn op school, waar blijven de mannelijke rolmodellen?

Laat ik beginnen met voorop te stellen dat alle onderwijzers, mannen en vrouwen, goed opgeleide professionals zijn die met de beste intenties voor de klas staan. Dat staat wat mij betreft buiten elke discussie. Wel heb ik, op basis van eigen bevindingen en verhalen van ouders van jongens in mijn praktijk, zorgen over de feminisering van het basisonderwijs.

Ontwikkeling van kinderen

Voor de (cognitieve) ontwikkeling van kinderen kijken we even naar de sociaal-culturele theorie van Lev Vygotksi.

Vygotski is bekend geworden door zijn onderzoek met kinderen. Hierin noemde hij het kind een afhankelijk individu, dat niet geïsoleerd kan leven. Terwijl Jean Piaget vooral de nadruk legde op de interactie van het kind met de fysische wereld, zag Vygotski het meer als de interactie met de sociale wereld.

Het kind leert van de sociale omgeving en leert de taal op de eerste plaats om met anderen te kunnen spreken. Het begint het leren van taal door het luid uitspreken van woorden. Als het kind verder groeit, leert het de woorden te internaliseren, dat wil zeggen dat de taal op een sterk versimpelde manier (niet meer te herkennen als taal) zich in het hoofd afspeelt.

Verder is Vygotski bekend door de notie zone van de naaste ontwikkeling (zone of proximal development (ZPD)). Deze notie geeft Vygotski’s kijk op de menselijke ontwikkeling weer: een kind heeft een bepaalde cognitieve ontwikkeling bereikt en kan nu met hulp van met name een docent de kloof naar de zone van de naaste ontwikkeling dichten. De docent dient er daarbij zorg voor te dragen – wil het leren succesvol zijn – dat het kind gebruikmaakt van de ‘tools’ van het feitelijke cognitieve niveau.

Nurture EN nature

Ontwikkeling van mensen verloopt volgens de meeste geaccepteerde ontwikkelingstheorieën door een samenspel van het genenpakket (nature) in combinatie met de directe omgeving van de mens (nurture). Deze directe omgeving bestaat op micro-niveau uit het gezin, school, sport- en hobbyvereniging en de buurt waar een kind opgroeit.

De rol van de directe omgeving is enorm op de expressie van bepaalde genen in het genenpakket. De rol van school is in de omgeving vanaf de leedtijd van 4 jaar (in Nederland) ca. gemiddeld 50% van de tijd dat een kind wakker is van maandag t/m vrijdag. Vaak heeft een kind tijdens schooldagen meer contacturen met docenten en medeleerlingen dan met de eigen ouder(s).

Dit maakt school dus een zeer prominente factor in de ontwikkeling van kinderen.

Alle kinderen zijn gelijk en toch ook zo verschillend

In beginsel zijn alle kinderen gelijk. Zeker als het gaat over rechten en plichten. Ongelijkheid zit er in individuele verschillen zoals achtergrond, talent, doorzettingsvermogen, lerend vermogen, etc. Daarnaast is er ook een verschil in geslacht. Jongens zijn geen meisjes met een piemel. Meisjes zijn geen jongens zonder piemel. Wat ik daarmee bedoel is dat jongens en meisjes van elkaar verschillen op het simpele genetische niveau dat hen bij geboorte typeert als jongen (XY-genencombinatie) of meisje (XX-genencombinatie).

Er is een, gezonde, drang naar gelijkheid tussen jongens en meisjes als het gaat om kansengelijkheid op onderwijs, ontwikkeling en inkomen. Er MOET echter ook oog zijn voor de elementaire verschillen tussen XY en XX.

Door de oververtegenwoordiging van vrouwen in het basisonderwijs bestaat het risico op een “confirmation bias” van gedrag. Vrouwelijk gedrag is het herkennings- en vertrekpunt bij 87 procent van de onderwijzers, simpelweg omdat 87% zelf XX is.

Daardoor bestaat het gevaar op normaliseren van meisjesgedrag bij zowel meisjes als jongens en het als afwijkend of zelfs problematisch beschouwen van jongensgedrag bij jongens.

Door het verschil in genen XY ten opzichte van XX en de bijbehorende hormonale huishouding ontwikkelen en gedragen jongens zich stereotiep anders dan meisjes (alle uitzonderingen daargelaten).

Waar meisjes vaak worden beschreven door (vrouwelijke) leerkrachten als lief, meegaand en ijverig, worden jongens vaak omschreven als druk, fysiek en wild. Het typische jongensgedrag wordt gelegd langs de meetlat van meisjesgedrag en daar ligt confirmation bias op de loer. Het jongensgedrag afgezet tegen meisjesgedrag bevestigt de onbewuste aanname dat jongens druk, fysiek en wild zijn en zich niet normatief gedragen. Meisjesgedrag is het (on)bewuste ijkpunt en jongensgedrag wordt gezien en geduid als problematisch.

Als ADHD-coach krijg ik wel eens vragen van ouders over het gedrag van hun kind op school. Vaak gaat het volgens de volgende lijn: thuis wordt het gedrag van het kind gezien als “normaal”, op school als afwijkend: Druk, kan niet stilzitten, fysiek tegen andere kinderen, wild in spelletjes, etc. Het komt vaker voor dan me lief is dat de school de ouders naar huis stuurt na een 10-minutengesprek dat hun zoon ADHD heeft. Na het in kaart brengen van de directe omgeving van het kind, een gesprek met school en de ouders, soms de huisarts en vaak met het kind zelf kom ik dan regelmatig tot de volgende conclusie: Beste ouders, uw kind heeft geen ADHD, uw kind is een jongen.

“7 procent van de juffen denkt dat jongens net zo gemotiveerd zijn als meisjes”

Lieve juffen van Nederland en Vlaanderen, denk hier alstublieft aan als u weer voor de klas staat: Jongens zijn geen meisjes met een piemel.

Over onsContactKinder- en Jongerencoaching